Breuken Oefenen
Leer rekenen met breuken: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen. Van pizza verdelen tot complexe berekeningen!
Wat is een breuk?
Een breuk is een deel van een geheel. De teller (boven) zegt hoeveel delen je hebt. De noemer (onder) zegt in hoeveel delen het geheel is verdeeld.
💡 Onthoud
Hoe groter de noemer, hoe kleiner de stukken. ¼ is kleiner dan ½, want je deelt door meer.
Wat kun je oefenen?
Stap-voor-stap: breuken optellen
Voorbeeld: ¼ + ⅓ = ?
Maak de noemers gelijk
kgv van 4 en 3 = 12
¼ = 3/12 en ⅓ = 4/12
Tel de tellers op
3/12 + 4/12 = 7/12
Antwoord: ¼ + ⅓ = 7/12
Breuken, decimalen en procenten
| Breuk | Decimaal | Procent |
|---|---|---|
| ½ | 0,5 | 50% |
| ¼ | 0,25 | 25% |
| ¾ | 0,75 | 75% |
| ⅓ | 0,333... | 33⅓% |
| ⅕ | 0,2 | 20% |
Maak breuken werkbladen
Genereer gepersonaliseerde oefeningen voor breuken. Download direct als PDF.
€1 per werkblad • Direct downloaden
Veelgestelde vragen
Hoe tel je breuken op met verschillende noemers?
Maak eerst de noemers gelijk door ze gelijknamig te maken. Zoek de kleinste gemene veelvoud (kgv) van de noemers. Tel daarna de tellers op en behoud de noemer.
Hoe vereenvoudig je een breuk?
Deel de teller en noemer door hun grootste gemene deler (ggd). Bijvoorbeeld: 6/8 → deel beide door 2 → 3/4.
Hoe deel je door een breuk?
Vermenigvuldig met het omgekeerde van de breuk. Bijvoorbeeld: 2 ÷ ½ = 2 × 2 = 4.